Oppotten
Publicatiedatum 15-07-2026 | Laatste update 22-07-2026
Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan nodig is voor de activiteiten van de stichting. Het eigen vermogen moet beperkt blijven. Dit heet het bestedingscriterium, ook wel het anti-oppotcriterium genoemd.
Een ANBI mag wel vermogen aanhouden als er sprake is van:
Vermogen dat als legaat (via een erfenis) of schenking is ontvangen.
Voorwaarde is dat de overledene of schenker heeft bepaald dat het geschonken of nagelaten vermogen in stand moet blijven, of dat is bepaald dat alleen het rendement uit dat vermogen wordt gebruikt om het doel van de ANBI na te streven. Dit wordt ook wel ‘stamvermogen’ genoemd. Vaak bepaalt de schenker of overledene in een testament dat het stamvermogen zijn waarde moet behouden vanwege inflatie door middel van een jaarlijkse correctie. Daarmee moet de ANBI rekening houden bij besteding van de beschikbare rendementen. Het is zaak het verloop van het stamvermogen goed te administreren.
Vermogen dat voortkomt uit het doel van de ANBI.
Het gaat bijvoorbeeld om een door een ANBI in stand te houden natuurgebied of gebedshuis.
Vermogen dat nodig is als middel om het doel van de ANBI te realiseren.
Bijvoorbeeld een eigen bedrijfspand of een eigen opslagplaats voor hulpgoederen.
Een redelijk vermogen dat nodig is om de continuïteit van de werkzaamheden te waarborgen, een zogenaamd continuïteitsreserve.
Een buffer van 1,5 keer de jaarlijkse kosten van de eigen werkorganisatie mag daarbij als uitgangspunt dienen. Kosten van de werkorganisatie zijn bijvoorbeeld vaste kosten van het personeel van de stichting, huisvestingskosten en kantoor- en administratiekosten. Hieronder vallen niet de kosten die direct toerekenbaar zijn aan een of meerdere algemeen nuttige activiteiten van de stichting.
Een reserve voor voorziene werkzaamheden/bestedingen.
De stichting moet de omvang van zo’n reserve wel in de financiële administratie en in het beleidsplan motiveren. Deze motivering gebeurt aan de hand van concrete voorgenomen activiteiten binnen een redelijk tijdsbestek, die zijn gericht op de algemeen nuttige statutaire doelstelling.